Zaailingen van Jan KdG

Richard Kres en JanKdG kwamen recent op het idee om in de Herijking van ons Kracht van Utrecht-initiatief op te schrijven en uit te wisselen wie ons met hun kennis inspireerden. We dachten aan wetenschappers, we kwamen op experts, maar ook op werknemers en burgers die ons met hun denk- en werkwijze inspireerden. Die namen en die teksten willen wij op deze plek verzamelen. Eigenlijk onbegonnen werk, hoe kun je wat je in een heel leven geleerd hebt vertalen naar nieuwe jonge mensen? Hoe heb je als Beta de wereld leren kennen en welke lessen heb je zelf geleerd (Zie ook mijn blog Lessons Learned).

Historisch liep de lijn van jan’s denken als chemicus/Beta via zijn bijvak onderwijskunde. Hij kreeg van Tony Earl in 1973 het concept aangereikt van een REO: Response-Environment-Organizer… Hiermee maakte ik in 1974 een succesvol ontwerp voor het onderwijsprogramma voor de eerste cursus Milieukunde op de UU. Succesvol omdat ik in feedback van studenten terugkreeg dat ze zich konden herkennen in hun manier van denken en werken. De REO werkte nauwelijks bij docenten. Zij herkenden “Milieukunde” niet in dit ontwerp: hun vak kwam er namelijk niet in voor en dan houdt het op.

Mij ging het in die jaren zenentig om de noodlottige samenhang tussen een ecologisch en een maatschappelijk waardeoordeel. Dat waardeoordeel ontstond vanuit twee cirkels van denken, een ecologische en een maatschappelijke. Zo je wil, een beta- en een sociaal-economische invalshoek. Hoe kun je die combineren? Docenten, die ik sprak hadden natuurlijk groot gelijk dat het onmogelijk was om thuis te raken in beide cirkels. Beter was het dan ook om “goed” te worden in een vak.

Waarom zou je willen ontwerpen ipv “louter druk & doener zijn”?

Beelden en REO’s bleven mij boeien, vooral toen ik mijn onderwijskundige en maatschappelijke inzichten kon toepassen in een trainingspraktijk. Op een plek, die iedereen die mij kende voor onmogelijk had gehouden, namelijk op Kerk&Wereld. Ik zei dan maar gauw dat ik op de afdeling Wereld werkte, beseffend dat ik werkte op een befaamd vormingsinstituut in Nederland. (K&W was grondlegger van de school voor Maatschappelijk Werk, de latere Sociale Academie de Horst, vanaf het begin af aan gevestigd pal naast Kerk en Wereld aan de Driebergseweg.

Wat opvalt, nu ik terugkijk is dat Njmeegse medische studenten mij in hoge mate hebben gevormd. Ik begeleidde dit stage project (7 stagiairs!) vanuit de Stichting Arbeid en Gezondheid, waar ik vrijwilligerswerk deed. In hun uitvoerige stageverslag introduceerden zij een onderscheid in deskundigenkennis (van de bedrijfsarts en de chemicus) en de ervaringskennis op de werkvloer (hoe gaan we om met, wat weet ik en wat merk ik van die chemische stoffen?) In mijn baan als OR-trainer kon ik dit onderscheid omzetten in een nieuwe beeldplaat voor mijn trainingsprogramma’s. Het werd een vierkant met twee actoren en twee kennisbronnen, uiteraard met relaties tussen de vier. (zie afbeelding REO OR) Ik ging er hierbij voetstoots vanuit dat een OR een afspiegeling was van de werkvloer. (Dat bleek lang niet altijd het geval, maar dat terzijde). Mijn belangrijkste taak als trainer/adviseur werd het om Ondernemingsraads-leden voor te bereiden op gesprekken met de directeur over onderwerpen waar zij – meer dan wie ook – meer van wisten. Het waren onderwerpen die hen zorgen baarden. In sommige gevallen lukte het zelfs om die gesprekken (of dialogen) te laten gaan over oplossingsrichtingen.

Veel gebruikt beeld in OR en VGWM-trainingen, basis voor advies

In en na mijn bedrijfskunde opleiding (met Prof Ulbo de Sitter, Op weg naar nieuwe fabrieken en kantoren, 1981) boeide het me bij Adviesgroep Koers nog meer hoe je een organisatie zou moeten ontwerpen en wat de feitenverzameling zou worden als je een methode consequent zou toepassen. Wat gebeurt er namelijk in een organisatie als je een top-down ontwerp maakt, wie de kennisbronnen heeft geconstrueerd en wat laat je over aan de ervaringen op de werkvloer? In vergelijking met een ontwerp dat uitgaat van de functionele eisen die de markt of buitenwereld aan de organisatie stellen, waarna je de bevoegheden en verantwoordelijkheden toebedeelt aan de werkvloer, en wat er aan bevoegdheden overblijft toebedeeld aan middenkader of top? Of zoals Ulbo de Sitter het eerder formuleerde: Leiderschap is het product van informatiestructuur en productieproces:

REO in mijn adviespraktijk (Update 2020)

Daarmee leek kennis een meervoudig monster te worden! Bronnen te over!. Totdat ik vanuit mijn baan bij Adviesgroep Koers van mijn leermeester Joop Hazendonk het Faalkosten-concept kreeg aangereikt: “Er komen alleen maar faalkosten in beeld van een organisatie als je er een doel voor hebt die te verkleinen. Of te wel> je ziet de kosten niet als je er niet naar wil kijken…

Kortom, toen kwam woord Regie om de hoek kijken, niet toevallig samenvallend met het woord Regisseur en Ketenregisseur die eind jaren negentig populair werden. Regie van wat en voor wie. Terugkijkend op die jaren, voorafgaan aan de “Bankencrisis” bekruipt me het gevoel dat juist in die jaren een terugtredende overheid als begrip furore maakte en er dus regisseurs van buiten werden ingevlogen om dit terugtreden met regie van buitenaf te compenseren.

Om nog korter te gaan: ik begon in te zien dat organisaties zonder doel en zonder passie voor wat zich op de werkvloer afspeelde geen lang leven beschoren was. Economische groei was ook in die tijd de slogan, terwijl je de nadelige bij-effecten hiervan om je heen zag exploderen.

Dankzij mijn passie voor Amelisweerd was ik begin 2009 in staat om aa tien maatjes in mijn omgeving te vragen mee te denken over een maatschappelijk alternatief voor de almaar groeiende behoefte aan snelwegen en het ruimte- en gezonde lucht verslindende autoverkeer. We zetten als burgers onze teleurstelling en boosheid over het gebrek aan op duurzame mobiliteit gerichte regie om in een eigen route voor het ontwikkelen van een duurzaam maatschappelijk alternatief.

Niet alleen in ons eerste, maar ook in ons tweede rapport werd De ladder van Verdaas ons concept. Een tweede rapport wat we in 2010 in nauwe samenwerking met APPM, Goudappel, Movares, Strukton en Strategem maakten.

Kleurenplaatje, met zowel de aanpak als de oplossingen in beeld? Dit concept kreeg vanaf 2009 weerklank, vooral onder gemeenteraadsleden, die de methodiek accepteerden als een leidraad voor duurzame mobiliteit. Het concept werkte daarentegen helemaal niet voor landelijke bestuurders. Daarvoor gingh de leidraad teveel in tegen het ingezette beleid van opvolgende kabinetten Balkenende IV en Rutte I, II en III. Wel opmerkelijk is dat de ladder van Verdaas in de aanbeveling “Zevensprong” werd opgenomen in de Tracewet, een aanbeveling zonder regie.

Ondertussen zag ik het klimaatprobleem groter worden. Klimaatopwarming staat in direct verband met onze energiebehoefte. Het hierbij behorende concept is afgeleid van de Trias Energetica en is inmiddels tot concept verheven onder mensen die zich voor de omslag in denken over mobiliteit en energiegebruik.

Het verband tussen energiegebruik en mobiliteit

Voor mij is de Trias Mobilica een instrument geworden waarmee ik duidelijk maak dat het stimuleren van elektrische auto’s een averechtse uitwerking heeft, vooral in het geval wanneer elektrische auto’s voornamelijk op grijze stroom van kolen- of gascentrales rijden.

Als groep van burgers leer je veel: van de wijze waarop een gemeentebestuur en een gemeenteraad reageert. Of een regio, of de landelijke politiek. Hoe burgers steun kunnen verlenen door hun kennis ter beschikking stellen en hoe expers redeneringen formuleren die bestuurders en politici zouden kunnen op te pakken. Kenmerk blijft dat je als burgerinitiatief niet opereert in een gelijk speelveld en je bijdragen pas gezien worden als een politicus het in zijn woorden heeft vertaald. De politicus is dan de volksvertegenwoordiger. Het is dan ook niet vanzelfsprekend dat de burger ook politicus kan zijn, of sterker nog, zoals Daan Rovers het uitdrukt: Is politiek iets van de elitel? Of is politiek van iedereen? Zijn wij allemaal de politiek, zoals zij als Denker des Vaderlands stelt in haar boekje Wij zijn de politiek?

Frans Soeterbroek had het mij al eerder geadviseerd, Karen van der Moolen (Economic Board Utrecht) gaf de doorslag. Zij was de eerste in de regio die onomwonden zei: Jullie zijn een bekend onderdeel van de civil society. Wij gaan als EBU uit van de Quadruple Helix: dat zijn vier cirkels, die aparte veelal gescheiden werelden voorstellen: een wereld van de overheid en politiek, een wereld van bedrijven en industrie en een wereld van kennisinstellingen… Jullie hebben bestaansrecht met jullie burgerinitiatief vanuit de civil society. Werelden, zo zei Karin, die de EBU wil verbinden omdat we ze allemaal nodig hebben. Bron: https://www.researchgate.net/figure/Developed-notion-of-a-Quadruple-Helix-innovation-system_fig3_257796311 Zie onderstaand beeld:

Hoe je vanuit verschillende wereld met elkaar in dialoog kunt gaan

Maakt 4Q of 4 O uit, dat zit toch dicht bij elkaar? 4 x 0 kent drie dezelfde bollen (3xO) maar vertaalt de civil society gemakshalve om in de O van Omgeving. Daarom is de 4 Q aantrekkelijker, omdat je anders blijft zoeken wat je met Omgeving bedoelt. Immers ook de overheid, de bedrijven, de kennisinstellingen hebben een omgeving.

Dit bericht is geplaatst in Coach. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.